Geen eer te behalen
De eerste stage die je bij de opleiding HBO verpleegkunde doet is een zogenaamde ‘zorgstage’. Je gaat vooral de basiszorg leren: hoe mensen te wassen, aan te kleden en ook bedden opmaken. Veel van mijn klasgenoten destijds vonden dit nog wel te doen maar naarmate we verder in de jaren kwamen waren verpleeghuizen ‘saai’ en er viel ‘geen eer te behalen’ aan deze patiënten. Ik hield me maar op de achtergrond, want ik was mijn hart allang verloren aan de ouderenzorg, na die eerste stage.
Ik had de stage zelf geregeld, in het dorp waar ik ben opgegroeid. Een gesloten afdeling voor mensen met dementie. Ik woonde toen nog thuis, dus lekker dichtbij als ik om 7 uur moest beginnen: maar een minuut of 10 fietsen en ik was er. Mijn stagebeleidster was een oude rot in het vak. Een echt schat, hart voor de zorg, en voor dit type patiënten. Die stage staat als geen ander in mijn geheugen gegrift. Hierom was ik de zorg in gegaan, wist ik: dit was waar mijn hart lag. Het was lichamelijk hard werken. Met een team van vier tot zes medewerkers (als ik het me goed herinner) zo’n tweeëndertig bewoners uit bed halen in de ochtend. Sommigen konden op het randje van het bed gewassen worden met een waskom, anderen kregen een wasbeurt op bed omdat ze zo afhankelijk waren. Er waren twee huiskamers waar de voedingsassistente het ontbijt gaf, samen met een welzijnsmedewerker. Als patiënten wat later uit bed waren ging ze langs met een pan pap, en gaven ze pap op bed, al dan niet met een schep proteïnepoeder erin. Ik weet nog dat dat heerlijk rook naar vanille.
Mijn stagebeleidster leerde me wat het betekende om op zachte wijze met deze bewoners om te gaan. Hoe contact met ze te maken, welke karakters er tussen zaten, en welke benadering dan het meest handige was. We hadden allemaal een dopsleutel op zak, waarmee de deuren open konden, maar ook sommige kasten. Sommige bewoners waren zo in de weer ’s nachts dat de kastdeuren dicht gingen.
Nog steeds, in mijn huidige werk als praktijkondersteuner heb ik baat bij deze vaardigheden. Laatst ging ik op bezoek bij een man die een paar dagen later opgenomen zou worden vanwege zijn dementie. Ik hoefde eigenlijk weinig meer te doen, even bloeddruk meten, een praatje maken. Dus dat deed ik. Hij zei: “Goh, dat was snel!” Ik: “ja, als alles goed gaat hoeft het niet lang te duren, toch?” Hij keek tevreden.
Zijn echtgenote liep met mij naar de voordeur en zei: “Wat fijn dat het zo kan, wat je tegen hem zei hielp zoveel.”